

In het programma van Slavische werken van de Franse cellist Edgar Moreau zijn de twee belangrijkste attracties Tsjaikovski's speelse en gevoelvolle Rococovariaties, en Chopins broeierige en poëtische Cellosonate. Voor beide stukken gaat Moreau geweldige samenwerkingen aan, waardoor dit album niet alleen zijn zoetgevooisde en expressieve spel etaleert, maar je ook het plezier hebt om hem en zijn mede-musici elkaar te horen opzwepen tot steeds grotere hoogten. Moreau voert de Rococovariaties uit met het Luzerner Symfonieorchester en dirigent Michael Sanderling, die een rijk geluid uit zijn strijkers haalt en met name de houtblazers tot een spits en karaktervol spel weet te drijven. Hun vertolking volgt de 'standaard' editie van cellist Wilhelm Fitzenhagen, voor wie Tsjaikovski het werk oorspronkelijk schreef en waarin sommige variaties werden bewerkt – in een volgorde die afwijkt van die van de componist. Van het Mozartachtige openingsthema tot de speelse laatste variatie is Moreaus spel licht en gracieus, vol emotionele betrokkenheid, en het duidelijke plezier dat hierin doorklinkt versterkt het pleidooi voor de versie van Fitzenhagen. Voor Chopins cellosonate wordt Moreau begeleid door de grandioze pianist David Kadouch. Dit is duidelijk een partnerschap van gelijken, en dat moet ook, gezien Chopins tendens om de pianist meerdere malen te laten schitteren met poëtische versieringen en momenten van reflectie. De uitvoering toont ook aan hoe vooruitstrevend Chopin was in dit werk dat hij in 1847 componeerde - de vaak turbulente en extraverte gebaren van het eerste deel doen denken aan met name de stijl van Griegs pianoconcert van een dikke 20 jaar later, gevolgd door die van Rachmaninov. Moreau rondt het album af met liefdevolle uitvoeringen van populaire 'hits', waaronder Rachmaninovs verleidelijke vocalise (met het Luzerner Symfonieorchester) en een triomfantelijk ontspannen vertolking van Dvořáks 'Humoresque nr. 7'.